ECLI:NL:CBB:2020:15
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boetes voor overtredingen Meststoffenwet bij bemonstering en bewaring mestmonsters
Appellante, een loon- en grondverzetbedrijf, kreeg bestuurlijke boetes opgelegd wegens het niet correct afsluiten en bewaren van mestmonsters tijdens vrachten mest in juli 2017. De minister stelde dat de artikelen 54 en 80 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet waren overtreden. Appellante voerde aan dat de mest afkomstig was van een gesloopte boerderij waarvoor een uitzondering op de bemonsteringsplicht zou gelden, gesteund op een afspraak tussen CUMELA en de NVWA.
Het College oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat aan de voorwaarden van deze uitzondering was voldaan, omdat niet kon worden vastgesteld dat de boerderij op het moment van vervoer niet meer in eigendom was van een landbouwbedrijf. Ook was het niet gemeld dat de automatische verpakkingsapparatuur niet functioneerde, waardoor de boetes terecht waren opgelegd.
Verder stelde appellante dat matiging van de boetes op zijn plaats was vanwege samenloop van overtredingen en de technische storing in de apparatuur. Het College verwierp dit, omdat het ging om verschillende voorschriften met afzonderlijke eisen en appellante de monsters handmatig had kunnen afsluiten.
De rechtbank had de boetes reeds bevestigd en het hoger beroep slaagde niet. Het College bevestigde de uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boetes worden bevestigd.