ECLI:NL:CBB:2020:170
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrechten leidt niet tot individuele en buitensporige last
Appellante, een melkveehouderij, voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw waarin het fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van het aantal dieren op 2 juli 2015. Zij stelde dat de vaststelling niet was afgestemd op het vergunde aantal dieren en dat de fosfaatrechten een individuele en buitensporige last oplegden, in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het College oordeelde dat appellante de bewijslast draagt voor het aantonen van een individuele en buitensporige last, maar hier niet aan heeft voldaan. De uitbreidingsinvesteringen waren relatief laat en het was voor melkveehouders voorzienbaar dat na het melkquotum nieuwe productiebeperkende maatregelen zouden volgen. Hoewel de stal verouderd was en gemoderniseerd moest worden, leidde dit niet tot een individuele en buitensporige last. Financiële rapporten van appellante werden door verweerder gemotiveerd betwist en appellante reageerde niet op dat verweer.
Het College constateerde dat het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, maar dat dit gebrek niet tot benadeling van appellante heeft geleid. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard en het betaalde griffierecht wordt vergoed.