ECLI:NL:CBB:2020:184
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechten en individuele last bij vaststelling fosfaatruimte 2015
Appellante, een melkveehouderij, betwistte de vaststelling van haar fosfaatrecht over 2015, met name de niet-betrekking van 79 hectare grond die zij in april 2015 had gekocht maar pas in november 2015 geleverd kreeg. Het College oordeelde dat voor de vaststelling van de fosfaatruimte bepalend is of op 15 mei 2015 de feitelijke beschikkingsmacht over de grond aanwezig was, wat niet het geval was. Tevens stelde het College vast dat de toegepaste korting van minder dan 8,3% geen individuele en buitensporige last vormt.
De investering van appellante in grond na het afschaffen van het melkquotum bracht meer dan gebruikelijke ondernemersrisico’s mee, waarvan zij zich bewust had moeten zijn. Het fosfaatrechtenstelsel is gericht op milieubescherming en naleving van de Nitraatrichtlijn, belangen die zwaarder wegen dan de economische belangen van appellante.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd omtrent de individuele last, werd dit gebrek gepasseerd omdat het niet tot benadeling van appellante leidde. Het College veroordeelde de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van appellante, waaronder deskundigenkosten en verletkosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.