De appellante, een grondgebonden melkveehouder, kreeg een heffing opgelegd vanwege het houden van meer melkvee dan het referentieaantal op de peildatum 2 juli 2015. Zij startte in 2016 met de bouw van een nieuwe ligboxenstal en voerde het aantal dieren niet tijdig terug, mede door bijzondere persoonlijke omstandigheden binnen het bedrijf.
Appellante verzocht om ontheffing van de heffing op grond van artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet, stellende dat ziekte binnen het bedrijf en een vergissing bij de afvoer van dieren de vertraging veroorzaakten. Verweerder beschouwde deze situatie als een bedrijfsrisico en wees het verzoek af.
Het College oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een direct verband bestond tussen de bijzondere omstandigheden en het niet tijdig afvoeren van de dieren. De vergissing viel onder het bedrijfsrisico en verweerder had terecht geen discretionaire bevoegdheid toegepast om ontheffing te verlenen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.