ECLI:NL:CBB:2020:271
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning startersregeling en generieke korting fosfaatrechten bij bedrijfsverplaatsing melkveehouderij
Appellante, een melkveehouderij, voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw waarin haar fosfaatrecht werd vastgesteld met toepassing van een generieke korting en zonder toekenning van de startersregeling. Zij stelde dat zij als nieuw gestart bedrijf moest worden aangemerkt omdat zij op de nieuwe locatie een ander UBN had en dat zij grondgebonden was, zodat de korting onterecht was toegepast. Tevens voerde zij een beroep in verband met het recht op eigendom uit artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag.
Het College overwoog dat appellante vóór 2014 al melk produceerde op een oude locatie en dat het hier ging om een bedrijfsverplaatsing met uitbreiding, niet om een nieuw gestart bedrijf. De grond waarop de fosfaatrechten zijn gebaseerd, moest op 15 mei 2015 feitelijk in gebruik zijn door appellante; dit was niet het geval omdat de grond toen nog in gebruik was bij een akkerbouwer en pas op 2 mei 2015 aan appellante geleverd werd. Het beroep op het eigendomsrecht faalde omdat appellante niet voldoende had gesteld.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante is ongegrond verklaard en de generieke korting op het fosfaatrecht is terecht toegepast.