ECLI:NL:CBB:2020:280
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroepen tegen heffingen op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017
Appellante, een melkveehouder, maakte bezwaar tegen meerdere heffingen opgelegd door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017. Zij stelde dat de Regeling geen wettelijke grondslag had en dat de inningstermijn overschreden was, waardoor de heffingen niet meer konden worden geïnd.
Het College oordeelde dat de Regeling een wettelijke grondslag heeft in artikel 13 van Pro de Landbouwwet, gericht op het beperken van fosfaatproductie. De inningstermijn van twee maanden in artikel 8 van Pro de Regeling is niet dwingend maar regelend van aard, zodat overschrijding niet leidt tot verval van de betalingsverplichting.
Verder was er geen sprake van strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel, omdat appellante niet mocht vertrouwen op niet-inning na overschrijding van de termijn. De beroepen werden derhalve ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de heffingen op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 worden ongegrond verklaard.