Appellant betwistte de vaststelling van zijn fosfaatrecht onder de Meststoffenwet, specifiek de toepassing van de startersregeling en de bepaling van de stalcapaciteit op 2 juli 2015. Verweerder had het fosfaatrecht aanvankelijk vastgesteld op nul kilogram, waarna een vervangingsbesluit werd genomen waarin het fosfaatrecht werd verhoogd, maar het beroep tegen dit besluit bleef aanhangig.
De kern van het geschil betrof de omvang van de stalcapaciteit voor jongvee, waarbij appellant stelde dat ook eenlingboxen buiten de stal voor 20 jongvee jonger dan 1 jaar moesten worden meegeteld, wat zou leiden tot een hogere fosfaatrechttoekenning. Verweerder had echter alleen gerekend met stalcapaciteit binnen de stallen en een lager aantal jongvee.
Het College oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de eenlingboxen tot de stalcapaciteit konden worden gerekend en dat de opgave van verweerder ruimer en gunstiger was geïnterpreteerd dan door appellant was opgegeven. Het beroep tegen het bestreden besluit werd als niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellant, aangezien het beroep deels gegrond werd verklaard in het vervangingsbesluit. De beslissing werd genomen door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 21 april 2020.