In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een last onder dwangsom die de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft opgelegd aan appellant wegens overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Het primaire besluit legde een dwangsom op, gevolgd door een invorderingsbesluit vanwege niet-naleving. Na bezwaar werd het eerste bestreden besluit genomen, dat door het College deels werd bekritiseerd vanwege onvoldoende motivering van de hoogte van de dwangsom en invordering.
Naar aanleiding van een tussenuitspraak heeft verweerder een nieuw besluit genomen waarin de hoogte van de dwangsom werd aangepast naar €160 per dier met een maximum van €5.000,-. Appellant voerde onder meer aan dat schapen met lammeren als stelletjes moesten worden beschouwd en betwistte de hoogte en rechtmatigheid van de invordering.
Het College oordeelt dat de wijziging van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding en dat de dwangsom per dier, inclusief lammeren, terecht is vastgesteld. Ook de invordering van de maximale dwangsom wordt gegrond verklaard. Het beroep tegen het eerste besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang, en het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard. Verweerder wordt opgedragen het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden.