Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2020 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Bestreden besluit bevoegd genomen?
Voor zover tot het oordeel wordt gekomen dat het bestreden besluit wel door de staatssecretaris genomen had kunnen worden, betoogt appellante dat het mandaat ten onrechte is verleend, omdat de aard van de bevoegdheid, het opleggen van heffingen, zich daartegen verzet. Daarnaast geldt dat geen bevoegdheid mag worden gemandateerd aan een niet-ondergeschikte, voor zover de bevoegdheid buiten de normale bevoegdheden van die (rechts)persoon ligt. Nu de gemandateerde normaliter enkel medewerker is van een melkfabriek, is dat thans het geval. Ten slotte zijn de bevoegdheden te ruim omschreven, nu zowel het nemen van besluiten, als het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met de artikelen 4, 6 en 9 van de Regeling zijn meegenomen in het mandaatbesluit, aldus appellante.
“[…]
2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.”
Wettelijke grondslag Regeling
“1 De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld.
2 De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. de te betalen geldsom;
b. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.”
“1 De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.
2 Bij of krachtens wettelijk voorschrift kan een andere termijn voor de betaling worden vastgesteld.”
“1 Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering geschiedt slechts voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.
[…]”
“1 De geldsommen, bedoeld in de artikelen 4 en 6, worden door of vanwege de minister uiterlijk ingewonnen in de tweede maand die volgt op de maand waarover de geldsom is verschuldigd.
2 De inwinning van de geldsommen, bedoeld in de artikelen 4 en 6, geschiedt door het zuivelbedrijf waaraan de houder melk levert indien dat zuivelbedrijf op grond van een overeenkomst is aangesloten bij ZuivelNL.”
Ten aanzien van het gestelde over de verrekening overweegt het College dat de verrekening van de heffingen met het melkgeld een privaatrechtelijk karakter heeft. Daarmee valt deze handeling buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter en zal appellante daarop betrekking hebbende klachten aan de burgerlijke rechter voor moeten leggen. Vergelijk voormelde uitspraak van het College van 21 augustus 2018, ov. 4.
De beroepsgrond slaagt niet.