ECLI:NL:CBB:2020:339
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking betalingsrechten wegens niet-subsidiabel landbouwareaal en ruigte
Appellante diende in 2015 een gecombineerde opgave in voor 51,74 hectare landbouwareaal, waaronder percelen 5 en 6 die als blijvend grasland werden opgegeven. Verweerder stelde na controle met luchtfoto’s vast dat een deel van perceel 5 en het gehele perceel 6 niet subsidiabel waren vanwege verruiging en het ontbreken van blijvend grasland.
Verweerder trok daarop betalingsrechten in en herberekende de uitbetaling voor 2015. Appellante voerde aan dat de strook in perceel 5 wel degelijk landbouwkundig werd gebruikt en dat perceel 6 het gehele jaar in gebruik was geweest. Het College oordeelde op basis van luchtfoto’s en de aard van de vegetatie dat de strook in perceel 5 verruigd was en perceel 6 geen subsidiabel landbouwareaal vormde.
De verklaring dat schapen op de strook graasden en dat perceel 6 in 2016 nog in gebruik was, kon het oordeel niet wijzigen. Ook was de verklaring over gras persen onvoldoende concreet. Het beroep tegen de intrekking van betalingsrechten werd daarom ongegrond verklaard. Ook het beroep tegen de herberekening van de uitbetaling werd ongegrond verklaard omdat dit slechts samenhing met het beroep tegen de intrekking.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de intrekking van betalingsrechten wegens niet-subsidiabel landbouwareaal is ongegrond verklaard.