Appellante, een melkveehouderij, stelde beroep in tegen het vervangingsbesluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin het fosfaatrecht was vastgesteld op basis van een alternatieve peildatum en melkproductiegegevens. De kern van het geschil betrof de representativiteit van de gehanteerde melkproductieperiode bij toepassing van de knelgevallenregeling.
Het College oordeelde dat de door verweerder gebruikte melkproductie over 2014 niet representatief was vanwege de overgang naar een automatisch melksysteem. Echter, het voorstel van appellante om de laatste drie maanden van 2015 als representatief te beschouwen werd verworpen omdat deze periode na het intreden van de buitengewone omstandigheid lag en het automatisch melksysteem toen al in gebruik was.
Het College stelde vast dat de periode van 12 maanden voorafgaand aan het intreden van de buitengewone omstandigheid in beginsel als representatief moet worden beschouwd, tenzij er aanwijzingen zijn dat dit niet het geval is. Omdat geen aanwijzingen voor onrepresentativiteit in die periode waren, werd de periode oktober 2013 - september 2014 als representatief vastgesteld.
Verder werd vastgesteld dat de door appellante opgevoerde hoeveelheid weggevloeide antibioticamelk voldoende was onderbouwd en moest worden meegeteld bij de totale melkproductie. Het College vernietigde het vervangingsbesluit voor zover het fosfaatrecht was vastgesteld en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitgangspunten. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan appellante.