ECLI:NL:CBB:2020:386

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 juni 2020
Publicatiedatum
8 juni 2020
Zaaknummer
18/2036
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 Meststoffenwet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij fosfaatrechten

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin het bezwaar van appellant tegen het toekenningsbesluit inzake fosfaatrechten gedeeltelijk werd gegrond verklaard, maar de op nihil stelling van het fosfaatrecht in verband met de bedrijfsoverdracht werd gehandhaafd.

Volgens vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 18 december 2018, vereist het aannemen van voldoende procesbelang dat het met het beroep nagestreefde resultaat daadwerkelijk bereikt kan worden en feitelijk betekenis heeft voor de belanghebbende. Een formeel of principieel belang is onvoldoende.

In deze zaak is het bestreden besluit in lijn met hetgeen appellant nastreeft, namelijk de op nihil stelling van het fosfaatrecht na bedrijfsoverdracht naar de C.V. Appellant is het weliswaar niet eens met de hoogte van het fosfaatrecht van de C.V., maar kan met zijn beroep niet bewerkstelligen dat deze vaststelling wordt gewijzigd.

Daarom ontbreekt het aan procesbelang en is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 9 juni 2020.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2036

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. N. Latka)
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het toekenningsbesluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.
Bij besluit van 25 juli 2018 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder het toekenningsbesluit herzien en het fosfaatrecht vastgesteld op 0 kg.
Bij besluit van 8 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het toekenningsbesluit gedeeltelijk gegrond verklaard.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Met toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1. Volgens vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:690), heeft een belanghebbende voldoende procesbelang als het resultaat dat met het beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor de belanghebbende feitelijk betekenis kan hebben. Een formeel of een principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. Indien een procesbelang ontbreekt, dan is het beroep niet-ontvankelijk.
2. Het bestreden besluit handhaaft de op nihil stelling van het fosfaatrecht in verband met de bedrijfsoverdracht van appellant naar [naam 2] C.V. Dit is volledig in overeenstemming met hetgeen appellant nastreeft. Hij is het niet eens met de hoogte van het fosfaatrecht van [naam 2] C.V., maar met zijn beroep kan hij niet bereiken dat die vaststelling (bij besluit van 14 augustus 2018) wijzigt. Appellant heeft daarom geen procesbelang.
3. Dat brengt met zich dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. E.D.H. Nanninga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2020.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.