Appellante, een melkveehouder, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw waarbij het fosfaatrecht op haar bedrijf werd vastgesteld. Zij stelde dat de aanleg van de Centrale As (N356) en dierziekte een lagere veebezetting en melkproductie veroorzaakten, waardoor haar fosfaatrecht te laag was vastgesteld.
Het College heeft onderzocht of er een causaal verband bestond tussen de infrastructurele werkzaamheden en een tijdelijke vermindering van het aantal dieren op de peildatum 2 juli 2015. Uit de gegevens bleek dat de dieraantallen fluctueerden en dat er zelfs periodes waren met meer dieren dan in 2013, terwijl de werkzaamheden pas in april 2015 begonnen. Hierdoor kon geen verband worden vastgesteld.
Verder werd beoordeeld of de knelgevallenregeling voor dierziekte van toepassing was. Het College oordeelde dat niet gerealiseerde melkproductie door ziekte niet betrokken kan worden bij de vaststelling van het fosfaatrecht. Ook de alternatieve peildatum van 1 december 2013 werd niet aanvaard voor dit knelpunt. De vermeende productiedaling was onvoldoende onderbouwd.
Het College concludeerde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor aanpassing van het fosfaatrecht en verklaarde het beroep ongegrond. Wel werd het betaalde griffierecht en proceskosten aan appellante vergoed vanwege een onvoldoende motivering in het bestreden besluit.