ECLI:NL:CBB:2020:441
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffingen fosfaatreductieplan en toepassing jongveegetal
Appellant, een melkveehouder, kreeg van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit meerdere hoge geldsommen opgelegd wegens overtreding van het fosfaatreductieplan 2017. Deze heffingen waren gebaseerd op het aantal grootvee-eenheden (GVE) dat appellant hield, waarbij ook het jongveegetal werd toegepast. Appellant voerde aan dat de Regeling geen wettelijke grondslag bood, dat de informatievoorziening gebrekkig was, dat het jongveegetal onterecht werd toegepast vanwege zijn omschakeling naar biologische bedrijfsvoering en dat hij de bedrijfsoverdracht te laat had gemeld.
Het College oordeelde dat de Regeling wel een wettelijke grondslag heeft in artikel 13 van Pro de Landbouwwet en dat de verantwoordelijkheid voor kennisname van de regelgeving bij appellant lag. De toepassing van het jongveegetal was terecht, ook al had appellant het jongvee tijdelijk elders ondergebracht met het oog op biologische omschakeling. De Regeling kent geen uitzondering voor dergelijke situaties. Verder was de melding van de bedrijfsoverdracht te laat en niet verschoonbaar.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de opgelegde heffingen bleven in stand. Het College vond geen aanleiding om de heffingen als onevenredig te beschouwen, ondanks de omstandigheden van appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de opgelegde heffingen wordt ongegrond verklaard en de heffingen blijven van kracht.