Verweerder heeft appellante, die een melkveebedrijf exploiteert, hoge geldsommen opgelegd voor de periodes 3, 4 en 5. Bij de berekening hiervan heeft verweerder het jongveegetal toegepast.
Appellante heeft verschillende beroepsgronden naar voren gebracht. Deze zien op de periodes 3, 4 en 5. Deze uitspraak gaat daarom niet over de periodes 1 en 2. Ter zitting is gebleken dat appellante een deel van de gronden – waarover het College in eerdere uitspraken al heeft geoordeeld – laat vallen. Hierover hoeft het College dus niet meer te oordelen.
Naar aanleiding van de beroepsgrond over de grondgebondenheid heeft verweerder in zijn verweerschrift erkend dat deze niet juist is vastgesteld. Het gedeeltelijk overgenomen bedrijf van [naam 2] was grondgebonden en daarom wordt het referentieaantal in zoverre niet verminderd met 4 procent, aldus verweerder. De beroepsgrond die hierover naar voren is gebracht slaagt daarmee en hoeft niet meer te worden besproken. Aan de gevolgen van het slagen van deze beroepsgrond voor de opgelegde geldsommen komt het College niet toe, omdat de hierna te bespreken beroepsgrond over het jongveegetal ook slaagt en dit verderstrekkende, voor appellante gunstiger, gevolgen heeft.
Het geschil spitst zich daarmee toe op de toepassing van het jongveegetal. Zoals hiervoor al opgemerkt slaagt de door appellante hierover naar voren gebrachte beroepsgrond. Het College zal hierna motiveren waarom dat zo is.
Het jongveegetal en de hardheidsclausule
In de bestreden besluiten heeft verweerder het jongveegetal toegepast vanwege de afvoer van twee kalveren.
Appellante wijst er in de gronden van beroep op dat zij twee kalveren voor de slacht heeft laten afvoeren. Dit heeft zij gedaan omdat deze kalveren een verkeerd uierweefsel hadden, waardoor zij niet meer geschikt waren als toekomstige melkkoe. Zij was in de veronderstelling dat deze dieren op korte termijn geslacht zouden worden en dit was ook de afspraak. Achteraf blijkt dat de dieren niet direct zijn geslacht en dat deze afvoer heeft gezorgd voor activering van het jongveegetal. Appellante betoogt dat in de Regeling nergens staat dat het kalf ook daadwerkelijk (op korte termijn) moet zijn geslacht. De heffingen zijn door de activering van het jongveegetal bovendien onevenredig hoog, aldus appellante.
In het verweerschrift staat dat in de bestreden besluiten abusievelijk staat vermeld dat het jongveegetal is geactiveerd door de afvoer van twee stuks jongvee. Het gaat om één stuk jongvee dat is afgevoerd maar niet in 2017 is geslacht, aldus verweerder. Dit ene stuk jongvee wordt hierna “het kalf” genoemd.
Het jongveegetal wordt ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de Regeling alleen niet toegepast indien op of na 1 juni 2017 jongvee ouder dan 35 dagen uitsluitend is afgevoerd voor slacht, export of in verband met sterfte. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat van afvoer voor de slacht als hiervoor bedoeld alleen sprake is wanneer het kalf ook daadwerkelijk is geslacht en het is – anders dan appellante ter zitting lijkt te betogen – niet onredelijk daarbij als uitgangspunt te hanteren dat deze slacht in 2017 moet hebben plaatsgevonden. Nu niet in geschil is dat het kalf niet in 2017 is geslacht, heeft verweerder dan ook terecht het jongveegetal toegepast.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Regeling geen ruimte biedt om rekening te houden met bijzondere individuele omstandigheden. Artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet luidt echter als volgt:
9. Gelet hierop mocht op basis van de activering van het jongveegetal geen hoge geldsom worden opgelegd. Dit betekent niet dat appellante helemaal geen geldsom mocht worden opgelegd. Uit de stukken die onderdeel uitmaken van het geding blijkt dat appellante over periode 4 ook zonder de activering van het jongveegetal een hoge geldsom is verschuldigd. Dit gaat om een bedrag van 216,- euro. Deze hoge geldsom moet appellante dus nog betalen. Verweerder is er voor de periodes 3 en 5 niet toe gehouden een bonusgeldsom toe te kennen, terwijl aan de voorwaarden daartoe niet is voldaan. Dit betekent dat appellante voor periode 4 een hoge geldsom moet betalen van 216,- euro en voor de periodes 3 en 5 niets hoeft te betalen, maar ook niets krijgt.