ECLI:NL:CBB:2020:526
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op knelgevallenregeling fosfaatrechten wegens onvoldoende bewijs ziekteperiode
Appellant exploiteerde tot 2013 een melkveehouderij en schakelde toen over naar het opfokken van jongvee. Hij voerde aan sinds augustus 2013 ziek te zijn, wat volgens hem een bijzondere omstandigheid vormde die recht gaf op toepassing van de knelgevallenregeling voor fosfaatrechten. Deze regeling geldt als het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door ziekte.
Verweerder stelde dat appellant pas vanaf 2015 ziek was en dat de stukken die appellant overlegd had onvoldoende bewijs boden voor ziekte vanaf 2013. De verklaringen van huisarts, cardioloog, zus en veearts, alsmede het bevolkingsonderzoek van het UMCG, werden als onvoldoende deskundig of onvoldoende specifiek voor de periode rond augustus 2013 beoordeeld.
Het College volgde verweerder en oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij al sinds 2013 ziek was en dat daardoor het fosfaatrecht op de peildatum 2 juli 2015 niet onterecht was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij sinds 2013 ziek was.