ECLI:NL:CBB:2020:579
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen fosfaatrechten voor uitgeschaard jongvee bij feitelijke houder
Appellante, een melkveebedrijf, had op 2 juli 2015 jongvee tijdelijk uitbesteed aan een derde, die deze dieren feitelijk hield en verzorgde. Verweerder had het fosfaatrecht vastgesteld op basis van de I&R-registratie, waarbij de jongvee bij de derde was geregistreerd.
Appellante stelde dat zij eigenaar bleef en alle kosten en risico's droeg, en dat de I&R-registratie slechts diende voor dierziektebestrijding. Verweerder en het College stelden dat het fosfaatrecht wordt toegekend aan de feitelijke houder, niet aan de eigenaar, en dat de I&R-registratie leidend is.
Omdat de derde niet instemde met een verhoging van het fosfaatrecht van appellante, was er geen grond voor een aanpassing. Het beroep van appellante werd daarom ongegrond verklaard.
Het College bevestigde dat bij uitgeschaarde dieren het fosfaatrecht toekomt aan degene die de dieren feitelijk houdt en verzorgt, ongeacht eigendom, conform artikel 23, derde en vijfde lid van de Meststoffenwet.
Uitkomst: Het beroep van appellante is ongegrond verklaard en het fosfaatrecht is toegekend aan de feitelijke houder van het jongvee.