ECLI:NL:CBB:2020:6
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving wegens onvoldoende dierenwelzijn bij pony’s
Appellante kreeg een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren, omdat haar Haflinger en Fjordenmerrie in slechte conditie verkeerden en onvoldoende medische zorg kregen. Na bezwaar en een hercontrole waarbij bleek dat de pony’s waren geëuthanaseerd, handhaafde verweerder het besluit.
Appellante voerde aan dat de pony’s mager waren door hun hoge leeftijd, dat zij voldoende zorg had verleend en dat de last niet was aangekondigd. Zij betwistte ook de aanwezigheid van luizen en stelde dat euthanaseren niet tot de last behoorde. Verweerder stelde dat de slechte conditie en luizeninfectie waren vastgesteld door een onafhankelijke dierenarts en toezichthouder, en dat de verklaring van appellantes dierenarts pas na de controles was opgesteld en geen afdoende bewijs vormde.
Het College oordeelde dat verweerder terecht uitging van het toezichtrapport en de verklaring van de onafhankelijke dierenarts. Het procesbelang van appellante werd deels aangenomen vanwege gemaakte kosten, maar niet voor de vrees voor toekomstige conflicten. Het College stelde vast dat appellante niet benadeeld was door het ontbreken van een zienswijze vooraf, omdat zij haar standpunten later kon inbrengen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de last onder bestuursdwang wordt ongegrond verklaard.