Appellante exploiteert een melkveebedrijf en voerde beroep aan tegen de toepassing van een generieke korting van 8,3% op haar fosfaatrecht, omdat zij meende dat de landbouwgronden van andere bedrijven binnen een vereniging gezamenlijk gebruikt werden en dus tot haar bedrijf behoorden.
Verweerder stelde dat de landbouwgronden van de akkerbouwbedrijven niet tot het bedrijf van appellante behoorden, omdat er geen juridische titel of feitelijke beschikkingsmacht was. Het College oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij de feitelijke beschikkingsmacht had over de gronden van de andere bedrijven, noch dat zij teelt- en bemestingsplannen op elkaar kon afstemmen.
Daarmee was de landbouwgrond van de andere bedrijven niet in gebruik bij het bedrijf van appellante in het kader van een normale bedrijfsvoering. De generieke korting van 8,3% was daarom terecht toegepast. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.