Appellante exploiteert een melkveebedrijf nabij de kop van de provincie Noord-Holland en beroept zich op een verhoging van haar fosfaatrecht vanwege de aanleg van het Wieringerrandmeer in de periode 2007-2010, waardoor zij tijdelijk minder melkvee zou hebben gehouden. Verweerder heeft het fosfaatrecht vastgesteld op basis van de situatie op de peildatum 2 juli 2015 en heeft het beroep op verhoging op grond van artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet afgewezen.
Het College overweegt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de relevante periode tijdelijk minder melkvee hield dan op de peildatum, noch dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last voor haar vormt. De investeringsbeslissingen van appellante, waaronder de bouw van een duurzame stal in 2013, worden gezien als ondernemersrisico's die niet kunnen worden afgewenteld op het collectief.
Verder benadrukt het College dat de belangen van milieu en volksgezondheid, en de naleving van de Nitraatrichtlijn, zwaarder wegen dan de belangen van appellante. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.