ECLI:NL:CBB:2020:619

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
8 september 2020
Publicatiedatum
7 september 2020
Zaaknummer
18/1962
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 LandbouwwetArt. 8 Regeling fosfaatreductieplan 2017
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen heffingen fosfaatreductieplan 2017 ongegrond verklaard

Appellante, een maatschap, kreeg door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit meerdere heffingen opgelegd op basis van de Regeling fosfaatreductieplan 2017, omdat zij meer vrouwelijke runderen hield dan het referentieaantal op de peildatum 2 juli 2015.

Appellante stelde dat de Regeling geen wettelijke grondslag had en dat de heffingen onrechtmatig waren opgelegd, onder meer omdat de inningstermijnen niet waren nageleefd. Het College verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat de Regeling een wettelijke grondslag heeft in artikel 13 van Pro de Landbouwwet en dat de inningstermijnen van regelend recht zijn.

Het College concludeerde dat de Regeling verbindend is en dat de heffingen tijdig en rechtmatig zijn geïnd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de opgelegde heffingen op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 18/1962

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Ramlal).

Procesverloop

Bij besluiten van 2 december 2017, 6 december 2017, 16 december 2017 en 27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante heffingen opgelegd van € 9.576,00 voor periode 1, van € 379,00 voor periode 2, van € 1.714,00 voor periode 4 en van € 211,00 voor periode 5.
Bij besluit van 31 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2020. Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

OverwegingenDe Regeling

De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.
Besluiten van verweerder
Aan de primaire besluiten heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het gemiddelde aantal grootvee-eenheden op het bedrijf van appellante te hoog is.
3. Verweerder heeft de door appellante tegen de primaire besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Volgens verweerder zijn de opgelegde geldsommen tijdig ingewonnen. Verder ontbeert de Regeling volgens verweerder geen deugdelijke grondslag.
BeroepsgrondenGrondslag Regeling
4. Appellante betoogt dat de Regeling onverbindend moet worden verklaard, omdat artikel 13 van Pro de Landbouwwet niet voorziet in de mogelijkheid van een regeling voor het opleggen van heffingen om de fosfaatproductie terug te dringen en derogatie te behouden.
4.1.
Zoals het College eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 21 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:421), heeft de minister voldoende onderbouwd dat de Regeling een doel dient als bedoeld in artikel 13 van Pro de Landbouwwet. Op grond van de overwegingen van die uitspraak heeft de Regeling een wettelijke grondslag in artikel 13 van Pro de Landbouwwet. Het College ziet daarom in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat de Regeling onverbindend moet worden verklaard.
Inning
5. Appellante wordt niet gevolgd in haar betoog dat de bestreden besluiten over periode 1 en 2 in strijd met artikel 8, eerste lid, van de Regeling zijn genomen wegens het niet in acht nemen van de in die bepaling voorgeschreven termijn voor het inwinnen van de geldsommen. Zoals het College eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:421) is de inningstermijn van artikel 8, eerste lid van de Regeling niet dwingendrechtelijk van aard, maar van regelend recht. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat voor de inningstermijn aansluiting is gezocht bij de uitvoering in de praktijk. Daaruit blijkt niet dat bedoeld is dat de verplichting om te betalen zou vervallen als de heffing pas op een later tijdstip wordt opgelegd.
Slotsom
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van
mr. A.J. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
8 september 2020.
w.g. J.A. Hagen w.g. A.J. Jansen