Appellante exploiteert een melkveehouderij en voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw waarin haar fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van de dieraantallen op 2 juli 2015. Zij stelde dat een muizenplaag en een lekstroom in een nieuwe ligboxenstal de melkproductie hadden verlaagd, waardoor zij recht had op een hoger fosfaatrecht via de knelgevallenregeling.
Het College oordeelde dat de muizenplaag niet valt onder de in de wet genoemde calamiteiten voor toepassing van de knelgevallenregeling en dat een oorzakelijk verband tussen de bouw van de stal in 2013 en de dieraantallen of melkproductie in 2015 niet aannemelijk was. Tevens concludeerde het College dat appellante onvoldoende had geconcretiseerd dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last voor haar opleverde.
Het beroep werd ongegrond verklaard. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellante. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering en het dragen van ondernemersrisico's bij investeringen in de landbouwsector.