ECLI:NL:CBB:2020:656
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling startersregeling en fosfaatrecht bij voortzetting melkveebedrijf
Appellante, een vennootschap onder firma die een biologisch landbouwbedrijf exploiteert, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij het fosfaatrecht werd vastgesteld en later verhoogd. Zij voerde aan dat zij als nieuw gestart bedrijf aanspraak kon maken op de startersregeling van artikel 72 van Pro het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, omdat zij aan de cumulatieve voorwaarden zou voldoen, waaronder het aangaan van onomkeerbare financiële verplichtingen voor 2 juli 2015 en het starten met melkproductie tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 of op grond van een afwijkende regeling.
Het College oordeelde dat appellante niet als nieuw gestart bedrijf kan worden aangemerkt, omdat het hier gaat om de voortzetting van een reeds bestaand melkveebedrijf dat sinds 1998 werd geëxploiteerd door een van de vennoten. De wijziging in eigendomsstructuur en het tijdelijk niet produceren van melk maakt dit niet anders. De startersregeling is strikt uitgelegd en is niet van toepassing op doorstart of voortzetting.
Daarnaast was in geschil of 16 dieren op de peildatum 2 juli 2015 als melkvee of zoogkoeien moesten worden aangemerkt. Het College stelde dat de registratie op de peildatum leidend is, tenzij onjuistheid aannemelijk wordt gemaakt. De dieren waren geregistreerd als zoogkoeien en hoewel later de bestemming veranderde, was op de peildatum geen sprake van melkproductie voor consumptie. Daarom werden deze dieren terecht buiten beschouwing gelaten bij de fosfaatrechtberekening.
Het beroep tegen het bestreden besluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het was vervangen door het vervangingsbesluit. Het beroep tegen het vervangingsbesluit werd ongegrond verklaard. Het College bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond verklaard; het fosfaatrecht wordt niet verhoogd onder de startersregeling.