Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2020 in de zaken tussen
Maatschap [naam 1] , te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
16 december 2017 en 27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante heffingen opgelegd van € 3.387,00 voor periode 1, van € 2.830,00 voor periode 2, van € 1.805,00 voor periode 3, van € 1.126,00 voor periode 4 en van € 1.390,00 voor periode 5.
Overwegingen
2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.
Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en appellante solidariteitsgeldsommen van € 3.387,00, € 2.830,00, € 1.805,00, € 1.126,00 en
€ 1.390,00 opgelegd voor de periodes 1 tot en met 5, omdat het gemiddeld aantal runderen op het bedrijf hoger is dan het doelstellingsaantal voor de betreffende maanden.
Het beroep-knelgevallenregeling
-
individuele en buitengewone last
Appellante betoogt voorts dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), omdat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Zij voert aan dat zij voor de peildatum vergunningen heeft gekregen, investeringen heeft gedaan en onomkeerbare financieringsverplichtingen is aangegaan voor de realisatie van een nieuwe bedrijfslocatie en uitbreiding van de bestaande bedrijfslocatie. De realisatie van de nieuwe locatie waarbij twee oude agrarische bedrijven worden beëindigd, is vertraagd door de lange duur van het vergunningentraject. Het bestemmingsplan dat dit mogelijk maakt is pas op 28 november 2017 vastgesteld en daartegen is beroep ingesteld. Omdat de financiële verplichtingen voor de nieuwe locatie al in 2014 waren aangegaan, moest de bestaande locatie worden uitgebreid om van de hogere opbrengst die kosten te kunnen betalen. Door de Regeling kan appellante de daarvoor benodigde groei van de veestapel niet meer realiseren. De opbrengst is hierdoor te gering om de investeringen in de uitbreidingen rendabel te maken en terug te kunnen verdienen. Volgens appellante is gelet op deze bijzondere omstandigheden sprake van een buitensporige last. Zij wijst ook op het door haar overgelegd rapport van Flynth Adviseurs en Accountants van 5 september 2018 waarin is berekend dat het bedrijf van appellante als gevolg van de Regeling
€ 42.300,00 minder winst heeft gemaakt en € 27.000,00 minder eigen vermogen heeft opgebouwd. Verweerder gaat er ten onrechte van uit dat voor een individuele buitensporige last is vereist dat de continuïteit van het bedrijf in gevaar komt, aldus appellante.
31 december 2012 132 melkkoeien, 53 kalveren en 31 pinken. Zij wil haar bedrijf uitbreiden. Appellante heeft in 2014 geïnvesteerd in een nieuwe bedrijfslocatie in [plaats 2] door het verwerven van gronden en opstallen in pacht. Voor de pachtoverdracht heeft zij € 855.000,00 betaald. Appellante wil op de nieuwe locatie 300 melk- en kalfkoeien en 168 stuks jongvee houden. Op 27 mei 2015 is haar daarvoor een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw) verleend. De nieuwe locatie kan worden ontwikkeld door de beëindiging van tweede oude agrarische bedrijven. De bestemmingsplanwijziging die dit mogelijk maakt, is op 28 november 2017 vastgesteld. Daarnaast heeft appellante op haar locatie in [plaats 1] de varkenshouderij beëindigd en een melkveestal uitgebreid. Zij heeft op 25 november 2014 daarvoor een omgevingsvergunning (activiteit milieu) aangevraagd en die is haar op
24 maart 2015 verleend. Appellante wil hier 349 melk- en kalfkoeien en 156 stuks jongvee gaan houden. Op 8 juni 2015 is haar voor deze wijziging een Nbw-vergunning verleend. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat ten tijde van de gedane investeringen voorzienbaar was dat productiebeperkende maatregelen zouden kunnen volgen om de fosfaatuitstoot terug te brengen. Appellante heeft er desondanks voor gekozen om de geplande forse bedrijfsuitbreiding door te zetten. Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat er voor haar een bedrijfseconomische noodzaak bestond om tot uitbreiding van het bedrijf over te gaan. Zij heeft gesteld dat zij de bestaande locatie heeft moeten uitbreiden om de financiële verplichtingen uit de pachtovereenkomst voor de nieuwe locatie na te kunnen komen, maar heeft dit niet financiële stukken onderbouwd. Dat het in het bedrijf nemen van de nieuwe locatie lang op zich liet wachten door het vergunningentraject en de bestemmingsplanprocedure, is overigens een risico dat appellante bij haar investeringsbeslissingen heeft genomen en voor haar rekening dient te blijven. Gezien het moment waarop de investeringen zijn gedaan en het ontbreken van een noodzaak voor het doen van die investeringen acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren waarover het College in de hiervoor aangehaalde uitspraak van 23 juli 2019 (onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
€ 787,50.
mr. A.J. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
13 oktober 2020.