Appellante, een melkveehouder, maakte deel uit van een veterinaire eenheid waarbij jongvee op andere bedrijven was geregistreerd. Zij stelde dat zij feitelijk houder was van deze dieren en dat het fosfaatrecht daarom aan haar toegekend moest worden, ondanks dat de dieren niet op haar bedrijf stonden geregistreerd op de peildatum 2 juli 2015.
Verweerder stelde dat het fosfaatrecht alleen kan worden toegekend aan het bedrijf waar de dieren feitelijk werden gehouden en verzorgd, en dat de I&R-registratie de werkelijke situatie weergeeft. Appellante had geen melding van in- en uitscharen gedaan voor 1 april 2018, waardoor artikel 23, vijfde lid, van de Meststoffenwet niet van toepassing was.
Het College oordeelde dat het feitelijk houderschap doorslaggevend is en dat de omstandigheden die appellante aanvoerde onvoldoende waren om het feitelijk houderschap aan haar toe te kennen. De dieren werden feitelijk gehouden en verzorgd door de andere bedrijven binnen de veterinaire eenheid. Ook werd het beroep ongegrond verklaard, ondanks een procedureel gebrek bij verweerder, omdat dit geen invloed had op de uitkomst van de zaak.
Het College veroordeelde verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellante in beroep. Het beroep werd daarmee afgewezen, en het fosfaatrecht werd vastgesteld conform de I&R-registratie.