ECLI:NL:CBB:2020:742
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling generieke korting fosfaatrecht voor niet grondgebonden melkveebedrijven
Appellante, een melkveebedrijf dat haar mest volledig op eigen bedrijf verwerkt, stelde dat de generieke korting van 8,3% op het fosfaatrecht onterecht werd toegepast, omdat zij geen mest op de nationale markt aanbiedt en vergelijkbaar is met grondgebonden bedrijven die geen korting krijgen.
Het College overwoog dat de wetgever terecht onderscheid maakt tussen grondgebonden en niet grondgebonden bedrijven. Grondgebonden bedrijven kunnen de geproduceerde fosfaat binnen gebruiksnormen op eigen grond plaatsen en dragen daardoor niet bij aan de druk op de mestmarkt. Niet grondgebonden bedrijven worden daarom gekort om het mestproductieplafond te borgen.
Verder oordeelde het College dat het fosfaatrechtenstelsel noodzakelijk is en niet in strijd met de Nitraatrichtlijn, en dat er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun, mede vanwege de goedkeuring door de Europese Commissie. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt de beoordelingsvrijheid van de wetgever bij het toepassen van de generieke korting en benadrukt dat het feit dat appellante mest verwerkt op eigen bedrijf niet leidt tot een gelijkstelling met grondgebonden bedrijven.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak werd gedaan door mr. W.C.E. Winfield op 20 oktober 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de generieke korting op het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.