ECLI:NL:CBB:2020:743
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op fosfaatrechten op grond van starters- en knelgevallenregeling Meststoffenwet
Appellant, die een biologische melkveehouderij wilde exploiteren in een natuurgebied, verzocht om een verhoging van fosfaatrechten op grond van de Meststoffenwet. Verweerder wees dit verzoek af op basis van het feit dat appellant op de peildatum 2 juli 2015 nog geen melkvee hield en niet voldeed aan de voorwaarden van de startersregeling. Appellant stelde dat de bijzondere omstandigheden van het oprichten van zijn eenmanszaak en het nog in ontwikkeling zijnde natuurgebied samen moesten worden beoordeeld en dat sprake was van een individuele en buitensporige last.
Het College oordeelde dat de knelgevallenregeling geen bijzondere voorziening biedt voor meerdere gelijktijdige omstandigheden en dat de omstandigheden terecht afzonderlijk zijn beoordeeld. Verder is vastgesteld dat appellant niet voldeed aan de startersregeling, omdat hij niet beschikte over de vereiste vergunningen en geen melkproductie was gestart voor de peildatum.
Ten aanzien van de individuele en buitensporige last overwoog het College dat investeringsbeslissingen ondernemersrisico's met zich meebrengen en appellant de gevolgen daarvan zelf moet dragen. De investeringen in 2015 waren niet navolgbaar gezien de toen al verwachte maatregelen na afschaffing van het melkquotum. Vertragingen in de inrichting van het natuurgebied verklaren niet dat appellant geen voorzichtigheid hoefde te betrachten. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de afwijzing van fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard.