ECLI:NL:CBB:2020:746

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
20 oktober 2020
Publicatiedatum
19 oktober 2020
Zaaknummer
19/305
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23, derde lid, MeststoffenwetArtikel 5, vijfde lid, Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling fosfaatrechtenstelsel in relatie tot Nitraatrichtlijn en staatssteun

Appellante, een melkveehouderij, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw waarbij het fosfaatrecht op haar bedrijf werd vastgesteld op basis van de Meststoffenwet. Zij voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel niet noodzakelijk is volgens de Nitraatrichtlijn en dat het stelsel ongeoorloofde staatssteun zou bevatten.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft in lijn met eerdere rechtspraak geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel wel noodzakelijk is en niet in strijd met de Nitraatrichtlijn. Ook is vastgesteld dat er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Verder is overwogen dat bezwaar tegen algemeen verbindende voorschriften niet mogelijk is, maar dat de minister inhoudelijk op de gronden van bezwaar heeft gereageerd, waardoor het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van het College op 20 oktober 2020.

Uitkomst: Het beroep tegen het fosfaatrechtenbesluit is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/305

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Cortet).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.
Bij besluit van 3 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak aan de orde gesteld op de zitting van 28 september 2020. Appellante en verweerder zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

Relevante bepalingen
1. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
Feiten
2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Op de peildatum, 2 juli 2015, hield appellante 103 melk- en kalfkoeien en 86 stuks jongvee op haar bedrijf.
Besluiten van verweerder
3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.955 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.
Beroepsgronden
4.1
Appellante betoogt dat de Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG) geen toereikende grondslag biedt voor het fosfaatrechtenstelsel. Appellante meent dat de noodzaak tot aanvullende maatregelen als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn zich niet voordoet. Bovendien blijkt uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Msw (Kamerstukken II 2015-2016, 34 532, nr. 3) niet dat het fosfaatrechtenstelsel noodzakelijk is om aan de doelstelling van de Nitraatrichtlijn te voldoen. Indien het stelsel van fosfaatrechten wel noodzakelijk is, levert het stelsel van verhandelbare rechten volgens appellante ongeoorloofde staatssteun op.
4.2
Appellante heeft de hiervoor weergegeven gronden ook in bezwaar aangevoerd en stelt dat verweerder in het bestreden besluit in reactie daarop ten onrechte heeft overwogen dat bezwaar en beroep niet mogelijk is tegen algemeen verbindende voorschriften. Via het systeem van de exceptieve toetsing kunnen deze gronden immers gewoon aan de orde komen. Verweerder had hier uitdrukkelijk op in moeten gaan.
Standpunt van verweerder
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel voldoet aan de eisen van artikel 5 van Pro de Nitraatrichtlijn en dat er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Het bestreden besluit is zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd.
Beoordeling
6.1
Het College is in lijn met zijn vaste rechtspraak ook in dit geding van oordeel dat de beroepsgrond over de ontbrekende noodzaak van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel (de door appellante gestelde strijd met artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn) evenals de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert, niet slaagt. Het College verwijst voor een meer uitgebreide motivering van dit oordeel kortheidshalve naar zijn uitspraken van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, en van 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:619.
6.2
Verder stelt het College vast dat verweerder in het bestreden besluit weliswaar heeft opgemerkt dat het niet mogelijk is om bezwaar te maken tegen een algemeen verbindend voorschrift, maar vervolgens ook inhoudelijk heeft gereageerd op de gronden van bezwaar. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van strijd met het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Slotsom
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2020.
w.g. I.M. Ludwig w.g. A.A. Dijk