Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2020 in de zaak tussen
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. M. van der Zwaard en mr. M. van den Brink).
Procesverloop
Overwegingen
Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat percelen, die enige tijd onder water hebben gestaan in verband met plasdrasbeheer, binnen een redelijke periode weer geschikt moeten zijn voor landbouwactiviteiten, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van Verordening 1307/2013. Verweerder hanteert daarbij een termijn van één of twee maanden waarbinnen op deze percelen weer gras moet (kunnen) groeien, afhankelijk van de ligging van de percelen in natte(re) of droge gebieden en hoe lang het duurt voordat het water is afgevloeid. Een beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de e-mail van 11 mei 2017 kan volgens verweerder niet slagen, omdat er geen beroep kan worden gedaan op het vertrouwensbeginsel tegen een duidelijke bepaling van het Unierecht. Tevens wijst verweerder erop dat de (juistheid van de) door een medewerker verstrekte informatie in het algemeen nauw samenhangt met de vraagstelling, die in het onderhavige geval algemeen van aard was en niet zag op de specifieke situatie van appellante en evenmin op het hier aan de orde zijnde (aanvraag-)jaar 2018.