Appellante, een maatschap, kreeg een besluit van de minister van Landbouw waarbij percelen 9 tot en met 15 werden afgekeurd als blijvend grasland vanwege vermeende verruiging. Slechts een deel van het areaal werd als subsidiabel aangemerkt, wat leidde tot een lagere uitbetaling van betalingsrechten en het vervallen van rechten na twee jaar niet-uitbetaling.
Appellante voerde aan dat de percelen wel degelijk blijvend grasland zijn, onderbouwd met begrazing door schapen en koeien en een teledetectiecontrole die een jaar na de afkeuring percelen 9, 12, 14 en 15 deels subsidiabel verklaarde. Het College oordeelde dat uit de overgelegde luchtfoto’s niet blijkt dat het aandeel grassen en andere kruidachtige voedergewassen minder dan 50% is, wat vereist is om van blijvend grasland te spreken.
Het College stelde vast dat het gebruik voor landbouwdoeleinden niet relevant is voor de beoordeling van blijvend grasland en dat de motivering van het bestreden besluit onvoldoende was. Daarom vernietigde het College het besluit en bepaalde dat verweerder binnen acht weken opnieuw moet beslissen op het bezwaar, rekening houdend met deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde het College verweerder tot vergoeding van de proceskosten van appellante, vastgesteld op € 1.050,-, en tot vergoeding van het griffierecht van € 345,-. De uitspraak werd gedaan door mr. R.C. Stam op 8 december 2020.