Verzoekster heeft het College verzocht om vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden door een onrechtmatig besluit van 18 april 2016, waarbij haar aanvraag voor toewijzing van betalingsrechten werd afgewezen. Na bezwaar kreeg zij in 2018 alsnog 105,63 betalingsrechten toegewezen, maar kon daardoor niet alle betalingsrechten benutten in 2016 en 2017.
Verweerder betwist dat er sprake is van een onrechtmatige daad die tot schadevergoeding verplicht. Het College stelt vast dat het aantal betalingsrechten dat verzoekster stelt te missen overeenkomt met het aantal hectare dat zij zelf heeft opgegeven voor uitbetaling in 2016 en 2017. Hierdoor is niet aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden in de gestelde omvang.
Wel is vastgesteld dat verzoekster voor 0,13 hectare niet volledig is uitbetaald, maar deze schade is het gevolg van een ander, onherroepelijk besluit van 1 oktober 2018, waartegen het beroep ongegrond is verklaard. Daarnaast is het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen omdat de termijn van twee jaar voor een uitspraak nog niet was verstreken.
Het College wijst daarom zowel het verzoek om vergoeding van materiële schade als het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.