ECLI:NL:CBB:2021:1061

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
19 november 2021
Publicatiedatum
6 december 2021
Zaaknummer
20/455GG
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 MswArt. 23 lid 3 MswArt. 6 EVRMArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond over fosfaatrechten voor jongvee vleesveehouderij

Appellante, een vleesveehouderij, voerde beroep aan tegen het besluit van verweerder waarin geen fosfaatrechten werden toegekend voor 20 stuks jongvee jonger dan 1 jaar (fokstiertjes). Zij stelde dat deze dieren onder de definitie van melkvee vallen en daarom fosfaatrechten moeten krijgen.

Het College oordeelde dat jongvee voor de vleesveehouderij niet onder de wettelijke definitie van melkvee valt zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, van de Meststoffenwet. De indeling in diercategorie 101 van de Uitvoeringsregeling, die relevant is voor excretieforfaits, leidt niet tot toekenning van fosfaatrechten.

Daarnaast stelde het College vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was overschreden. Daarom werd verweerder veroordeeld tot betaling van €333,33 en de Staat tot €166,67 aan immateriële schadevergoeding. Ook werden verweerder en de Staat elk veroordeeld tot betaling van €187 aan proceskosten van appellante.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd voor de behandeling van het beroep zelf.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder en de Staat worden veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Rectificatie
proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/455GG
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2021 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: ing. J. Pot),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: C. Zieleman),
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

Verweerder heeft in het besluit van 28 februari 2018 het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 2.255 kg. Appellante stelt dat haar fosfaatrecht hoger moet worden vastgesteld, omdat verweerder ten onrechte geen fosfaatrechten heeft toegekend voor de 20 stuks jongvee jonger dan 1 jaar die zij op de peildatum op haar bedrijf hield. Daarom heeft zij beroep ingesteld.
Het beroep is op de zitting van 19 november 2021 inhoudelijk behandeld. Namens appellante was ing. J. Pot aanwezig. Namens verweerder was C. Zieleman aanwezig.
Na afloop van de zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met het ingediende verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 333,33 aan appellante wegens de geleden immateriële schade;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 166,67 aan appellante wegens de geleden immateriële schade;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 187,-;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 187,-.

Overwegingen

1. Appellante stelt dat haar fosfaatrecht hoger moet worden vastgesteld, omdat verweerder ten onrechte geen fosfaatrechten heeft toegekend aan de 20 stuks jongvee jonger dan 1 jaar die zij op de peildatum op haar bedrijf hield. Het gaat hier om fokstiertjes voor de vleesveehouderij en deze dieren vallen niet onder de term melkvee als genoemd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, van de Meststoffenwet (Msw). Appellante verwijst naar de toelichting bij tabel I van bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling). Daar staat dat, wanneer de omschrijving van de categorieën niet aansluit bij de voorkomende situatie, forfaits moeten worden gehanteerd van de categorie die het best aansluit bij de voorkomende situatie. In dit geval sluit diercategorie 101 het best aan bij de situatie van de fokstiertjes, aangezien vrouwelijke opfokkalveren tot 1 jaar die bestemd voor de vleesveehouderij en mannelijke opfokstieren jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij – die voor hetzelfde doel ingezet worden, namelijk voor het opfokken – daar ook onder vallen. De indeling in categorie 101 moet ertoe leiden dat de fokstiertjes jonger dan 1 jaar voor de vleesveehouderij ook onder de definitie van melkvee vallen, namelijk onder artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, onder twee, van de Msw. Daarom moeten er volgens appellante fosfaatrechten aan de fokstiertjes worden toegekend.
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat jongvee jonger dan 1 jaar bestemd voor de vleesveehouderij niet onder de definitie van melkvee valt en dat er daarom terecht geen fosfaatrechten voor de fokstiertjes zijn vastgesteld. Volgens verweerder is irrelevant in welke categorie ze vallen van tabel I van bijlage D bij de Uitvoeringsregeling. Die categorieën zijn bedoeld om excretieforfaits vast te stellen en niet om te bepalen of er fosfaatrechten worden toegekend.
3. Het College oordeelt dat aan de 20 fokstiertjes van appellante terecht geen fosfaatrechten zijn toegekend. Deze fokstiertjes, jongvee jonger dan 1 jaar en bestemd voor de vleesveehouderij, vallen niet onder de definitie van het begrip melkvee in de Msw. Appellante heeft gelijk dat er geen direct passende categorie voor de fokstiertjes voor de vleesveehouderij bestaat in tabel I van bijlage D bij de Uitvoeringsregeling. Een eventuele indeling van de fokstiertjes in de meest passende categorie 101 leidt echter niet tot de conclusie dat deze daarom ook als melkvee moeten worden aangemerkt op grond van de Msw. De diercategorieën van de Uitvoeringsregeling bepalen welk excretieforfait van toepassing is en schrijven niet voor of er fosfaatrechten aan deze dieren moet worden toegekend. Over laatstgenoemde gaat artikel 1 eerste Pro lid, aanhef en onderdeel kk, van de Msw. Zoals appellante erkent, staat mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar dat worden gehouden voor de vleesveehouderij niet genoemd in onderdeel kk. De 20 fokstiertjes vallen daarmee niet onder de wettelijke definitie van melkvee als gevolg waarvan verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw, terecht geen fosfaatrechten voor deze dieren heeft vastgesteld.
4. Het College stelt verder vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep, die in dit geval op twee jaar moet worden gesteld, is overschreden. Gelet op het tijdsverloop tussen de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder en de dag van deze uitspraak heeft appellante recht op € 500,- schadevergoeding. De behandeling van het bezwaar heeft meer dan een half jaar geduurd en de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar. Van de overschrijding is, na afronden, een periode van vier maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase en het restant, een periode van twee maanden, wordt toegerekend aan de beroepsfase. Het College zal op de voet van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 333,33 (4/6 x € 500,-) en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 166,67 (2/6 x € 500,-) aan appellante.
5. In verband met het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, veroordeelt het College verweerder en de Staat ieder voor de helft in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 374,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 748,-).
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling voor de behandeling van het beroep bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Stoové, in aanwezigheid van mr. M.R. Broeze, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.