Appellante, een melkveehouder die haar varkenstak in 2008 beëindigde en haar melkveetak uitbreidde, stelde dat het fosfaatrechtenstelsel haar een individuele en buitensporige last oplegt vanwege onomkeerbare investeringen en vertragingen door gezondheidsproblemen binnen haar vennotenfamilie.
Het College overwoog dat de investeringen en uitbreidingsplannen van appellante ondernemersbeslissingen zijn die risico's met zich meebrengen en dat het fosfaatrechtenstelsel voorzag in een generieke korting op fosfaatrechten. Hoewel het financieel zwaar kan zijn, is dit onvoldoende voor een individuele en buitensporige last.
Het College benadrukte dat appellante al vroeg plannen had om uit te breiden en dat zij rekening had moeten houden met het afschaffen van het melkquotum en de daaropvolgende regelgeving. De belangen van milieu en volksgezondheid wegen zwaarder dan de economische belangen van appellante.
Het beroep werd ongegrond verklaard, maar appellante kreeg vergoeding van griffierecht en proceskosten toegekend vanwege een motiveringsgebrek in het bestreden besluit dat echter niet tot nadeel leidde.