Appellante had een communautaire vergunning voor besloten busvervoer die op 10 mei 2019 door verweerder onrechtmatig werd ingetrokken met ingang van 2 augustus 2019. Na bezwaar stelde verweerder het besluit op 21 augustus 2019 in stand, waarna appellante beroep instelde bij de rechtbank Limburg met een verzoek tot schadevergoeding.
Het College ontving het beroep nadat de rechtbank het had doorgezonden. Verweerder trok het bestreden besluit op 30 september 2021 in en verklaarde het bezwaar alsnog gegrond. Hierdoor verloor appellante belang bij het beroep, dat daarom niet-ontvankelijk werd verklaard.
Het College beoordeelde vervolgens het verzoek tot schadevergoeding. Appellante maakte aannemelijk dat zij door de onrechtmatige intrekking een belangrijke overbruggingsovereenkomst met gemeenten misliep, wat resulteerde in een schade van minimaal € 25.000. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag, evenals een immateriële schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werden griffierecht en proceskosten aan appellante vergoed.
Over overige schadeposten en rente kon het College niet oordelen vanwege de bevoegdheidsgrens. Partijen zijn hierover in onderhandeling, met de mogelijkheid tot civiele procedure indien nodig. De uitspraak werd mondeling gedaan op 6 december 2021 door het College van Beroep voor het bedrijfsleven.