ECLI:NL:CBB:2021:122
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling fosfaatrecht onder Meststoffenwet wegens ontbreken individuele en buitensporige last
Appellante exploiteerde een gecombineerd melkvee- en varkensbedrijf en schakelde in 2014 volledig over op melkveehouderij. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de Meststoffenwet, waarbij appellante bezwaar maakte tegen de vaststelling. Het College beoordeelde of het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last opleverde.
Het College overwoog dat investeringsbeslissingen ondernemersrisico's met zich meebrengen en dat niet ieder vermogensverlies door het fosfaatrechtenstelsel als buitensporig kan worden aangemerkt. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat de uitbreiding van haar melkveebedrijf noodzakelijk was om het verlies van de varkensinkomsten te compenseren, aangezien de beoogde uitbreiding ruimschoots overcompenseerde.
Ook was het tijdstip van investeringen (maart 2015) niet navolgbaar gezien de toen al bekende afschaffing van het melkquotum en de daarmee samenhangende maatregelen. Vertraging in vergunningverlening valt onder ondernemersrisico. Het belang van milieu- en volksgezondheid en de naleving van de Nitraatrichtlijn wegen zwaarder dan de belangen van appellante.
Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en wees het verzoek om een individuele last af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een individuele en buitensporige last.