Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2021 in de zaak tussen
V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Overwegingen
8 december 2020. Nu het besluit van 27 november 2018 is vervangen door het besluit van 8 december 2020 en niet gesteld of gebleken is dat appellante nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit van
27 november 2020, zal het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.
Overschrijding redelijke termijn
3 augustus 2017 ontvangen op 8 september 2017 en het bezwaarschrift tegen het besluit van 25 november 2017 op 28 december 2017. Op 22 januari 2018 hebben appellante en verweerder procesafspraken gemaakt waarbij de beslistermijn voor voormelde bezwaarschriften is verlengd voor onbepaalde termijn waarna verweerder op 27 november 2018 op de bezwaren heeft beslist. Gelet hierop wordt de periode tussen 22 januari 2018 en 27 november 2018 bij het berekenen van de redelijke termijn buiten beschouwing gelaten. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de termijn van twee jaar met ruim zeven maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, heeft appellante daarom recht op een vergoeding van € 1.000,00 aan immateriële schade.
Conclusie
Beslissing
16 februari 2021.