Appellante, een melkveehouderij, stelde dat verweerder onterecht een generieke korting toepaste bij de vaststelling van haar fosfaatrecht, omdat de fosfaattoestand van vijf percelen onjuist was ingedeeld in de categorie 'hoog'. Verweerder baseerde zich op bemonstering en analyse van de bodem en luchtfoto's waaruit bleek dat de percelen onvolledig waren bemonsterd.
Het College oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de bodem van de betreffende percelen een lagere fosfaattoestand had dan vastgesteld. De analyserapporten voldeden niet aan de wettelijke eisen, en de luchtfoto's toonden onvolledige bemonstering aan. Daarom bleef de indeling in de categorie 'hoog' terecht gehandhaafd.
Wel stelde het College vast dat het bestreden besluit pas in beroep was voorzien van een deugdelijke motivering, wat in strijd was met het motiveringsbeginsel. Omdat verweerder erkende dat de fosfaattoestand van enkele percelen onjuist was vastgesteld, werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Het fosfaatrecht werd vastgesteld op 5.973 kg.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellante, en het betaalde griffierecht werd aan appellante vergoed. De uitspraak vervangt het vernietigde bestreden besluit.