Appellante, een melkveehouderij, werd door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangeslagen met heffingen op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 wegens overschrijding van het referentieaantal vrouwelijke runderen. De heffingen betroffen solidariteitsgeldsommen over vijf periodes in 2017. Appellante stelde bezwaar tegen de motivering van het jongveegetal en voerde aan dat sprake was van een individuele en buitensporige last.
Het College oordeelde dat de berekening van het jongveegetal door verweerder deugdelijk was gemotiveerd en dat het jongveegetal terecht werd toegepast, ook voor runderen die na de peildatum naar andere Nederlandse bedrijven werden afgevoerd. De beroepsgrond over de motivering faalde, waarbij een eventueel gebrek werd gepasseerd.
Ten aanzien van de individuele en buitensporige last stelde het College dat ondernemersbeslissingen inherent risico’s met zich meebrengen en niet ieder vermogensverlies een buitensporige last vormt. Gezien de omstandigheden, waaronder de bekendheid met sectorale ontwikkelingen en de omvangrijke investeringen van appellante, was geen sprake van een individuele en buitensporige last.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.