Appellante, een melkveehouderij, kreeg meerdere heffingen opgelegd op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 omdat zij meer vrouwelijke runderen hield dan het toegestane doelstellingsaantal. Zij had investeringen gedaan in een nieuwe ligboxenstal en beschikte over de benodigde vergunningen. Appellante stelde dat vanwege medische klachten van een vennoot de groei van de veestapel niet volledig kon worden gerealiseerd en verzocht om toepassing van een knelgevallenregeling met een alternatieve peildatum.
Het College overwoog dat niet ieder inkomens- of vermogensverlies door de Regeling een buitensporige last vormt en dat ondernemersbeslissingen inherent risico’s met zich meebrengen. Hoewel de gezondheidsproblemen erkend werden, was niet gebleken dat deze een negatieve invloed hadden op de omvang van de veestapel op de peildatum. De investeringsbeslissingen waren bovendien genomen op een moment dat al maatregelen ter beperking van groei te verwachten waren, en er was geen bedrijfseconomische noodzaak voor de uitbreiding aangetoond.
Het College concludeerde dat appellante zelf de risico’s van haar investeringsbeslissingen draagt en dat de Regeling niet leidt tot een individuele en buitensporige last. De belangen van de gehele melkveesector en het behoud van de derogatie wegen zwaarder dan de belangen van appellante. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.