Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2021 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. E. Wijnne-Oosterhoff)
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Meijerink)
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Overwegingen
De Regeling
Feiten
Besluit verweerder
Het beroep
Aan appellante zijn hoge geldsommen opgelegd ten bedrage van in totaal € 100.929,00. Daarbij heeft verweerder het referentieaantal vastgesteld aan de hand van de dieraantallen van appellante op 2 juli 2015. Op die datum had appellante 106 koeien en 95 stuks jongvee, hetgeen neerkomt op 138,58 GVE. Vervolgens heeft verweerder het doelstellingsaantal vastgesteld aan de hand van het aantal dieren van appellante op 1 oktober 2016. Appellante had op die datum 137 koeien en 111 stuks jongvee, hetgeen neerkomt op 175,13 GVE; dit aantal is vervolgens verminderd met het voor de betreffende periode geldende verminderingspercentage. Ten slotte heeft verweerder het maandgemiddelde in periode 1 vastgesteld op 186,17 GVE, voor periode 2 op 182,85 GVE, voor periode 3 op 179,41 GVE, periode 4 op 176,88 en voor periode 5 op 177,86 GVE.
Bovendien acht het College niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsvoering van appellante zodanig afwijkt van andere veehouders dat verweerder daarin, ondanks de groei van het bedrijf en de keuze in 2017 om niet tot het doelstellingsaantal te reduceren, aanleiding had moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen. Verweerder heeft in dat kader de stallijsten van de jaren 2011 tot en met 2018 overgelegd. Uit deze gegevens blijkt weliswaar dat appellante zoals zij stelt elk jaar in de periode mei/juni een grote groep dieren afvoert, maar uit de stallijsten blijkt tevens dat ook op andere momenten in het jaar dieren zijn afgevoerd. Hieruit volgt dan ook dat het aantal dieren op het bedrijf het hele jaar fluctueert. Dat het referentieaantal lager is dan het gemiddeld aantal dieren dat appellante in 2015 hield, maakt dat niet anders nu dit een omstandigheid is die inherent is aan de keuze van de wetgever om van één datum uit te gaan, hetgeen, zoals hiervoor is overwogen, niet ontoelaatbaar is.
Redelijke termijn
Slotsom
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond.
- veroordeelt verweerder om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 125,00 te betalen;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 1.375,00 te betalen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 133,50;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 133,50.
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.