ECLI:NL:CBB:2021:336
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op grond van incidentele pacht en fosfaatrecht onder Meststoffenwet
Appellante exploiteert een melkveebedrijf en heeft bezwaar gemaakt tegen het vastgestelde fosfaatrecht door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het geschil betreft de vraag of de verpachting van 8,61 hectare grond aan derden in 2015 incidenteel was, waardoor een andere berekening van het fosfaatrecht zou moeten gelden.
De minister heeft het fosfaatrecht vastgesteld op basis van de dieraantallen op 2 juli 2015 en een generieke korting toegepast omdat appellante niet als grondgebonden werd aangemerkt. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard omdat zij niet de feitelijke beschikkingsmacht over de grond had en geen voldoende onderbouwing voor ontheffing op grond van artikel 38 of Pro 38a van de Meststoffenwet had geleverd.
Appellante heeft haar beroep uitgebreid met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, stellende dat sprake zou zijn van incidentele pacht. Het College oordeelt dat de pacht niet incidenteel is omdat deze bij herhaling plaatsvindt en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Ook ontbreekt onderbouwing van een individuele en buitensporige last voor een ontheffing.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.