Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2021 in de zaken tussen
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam 2] B.V.( [naam 2] ), te [plaats] , appellant
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop
Overwegingen
De per 1 januari 2018 geldende fosfaatrechtenregeling kent in artikel 72 van Pro het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet(Msw), na een advies van de Commissie knelgevallen fosfaatrechten (bijlage bij Kamerstukken II, 2016–2017, 34 532, nr. 100, p. 8), een aanvullend knelgeval, namelijk nieuw gestarte bedrijven (startersregeling). Voor de toepassing van de Regeling erkent verweerder deze situatie eveneens als knelgeval, zonder dat de Regeling zelf hierop is aangepast (Kamerstukken II, 2016–2017, 33 037, nr. 223). De startersregeling maakt, indien aan een cumulatief aantal voorwaarden is voldaan, een compensatie mogelijk van 50% van het verschil tussen de feitelijke melkveebezetting op de peildatum en de op die datum aanwezige stalcapaciteit.
Op 25 oktober 2017 heeft zij bij verweerder gemeld dat zij een startend bedrijf is. Op 28 november 2017 is zij in staat van faillissement verklaard en is appellant als haar curator aangewezen.
- er is sprake van een melkproducerend bedrijf;
- vóór 1 januari 2014 werd door de betrokken houder geen melk geproduceerd voor consumptie of verwerking;
- melkproductie- en aflevering is gestart tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015;
- er is geen sprake van een bedrijfsoverdracht conform artikel 12, eerste lid, van de Regeling[= na 2 juli 2015];
- het bedrijf beschikt over een vóór 2 juli 2015 verleende milieuvergunning met het oog op het starten van een melkveebedrijf;
- uit een accountantsverklaring blijkt dat er sprake is van het zijn aangegaan van onomkeerbare financiële verplichtingen vóór 2 juli 2015. Dat kan blijken uit een gesloten aannemingsovereenkomst of betaalde facturen van vóór 2 juli 2015, of uit een gesloten financiële overeenkomst van vóór 2 juli 2015;
- op het moment dat een bedrijf zich aanmeldt voor deze voorziening moet sprake zijn van een actief landbouwbedrijf blijkens de Msw.
Beoordeling van het beroep
Indien en voor zover tot het oordeel wordt gekomen dat de startersregeling niet van toepassing is op [naam 2] , betoogt appellant dat, gelet op alle feiten en omstandigheden van dit geval, sprake is van een individuele en buitensporige last. Het toepassen van de Regeling is ook daarom onevenredig, aldus appellant.
De in artikel 72, tweede lid, onder d, van de Uitvoeringsregeling Msw neergelegde voorwaarde dat een bedrijf, om als startend bedrijf te worden aangemerkt, op 1 januari 2018 minimaal 15 melk- en kalfkoeien moest houden, is gesteld in het kader van het fosfaatrechtenstelsel dat op 1 januari 2018 in werking is getreden. Gelet op deze inwerkingtredingsdatum is begrijpelijk dat voor de toepassing van de Msw de vraag of is gestart met een bedrijf van enige omvang wordt beoordeeld naar de situatie per 1 januari 2018.
De zaken die thans voorliggen zien op de Regeling. Deze gold van 1 maart 2017 tot en met 31 december 2017. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting niet duidelijk kunnen maken wat er de ratio van is om bij de overeenkomstige toepassing van de startersregeling op de tijdens 2017 werkende Regeling een voorwaarde te hanteren die betrekking heeft op 2018, toen de Regeling niet meer gold, en waaraan in 2017 nog niet kon worden voldaan. Een dergelijke voorwaarde knelt temeer in zaken zoals deze, waarbij een startend bedrijf vóór 1 januari 2018 failliet is gegaan. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hier een zekere discrepantie speelt. Naar het oordeel van het College wordt aan een zinvolle overeenkomstige toepassing meer recht gedaan wanneer verweerder – zoals hij deed in de bestreden besluiten 1 tot en met 3 – als voorwaarde stelt dat op het moment van aanmelding als starter in 2017 sprake is van een actief landbouwbedrijf.
Nu geen aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, dient verweerder een nieuw besluit te nemen over toepassing van de startersregeling, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Overschrijding redelijke termijn
Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen het primaire besluit 1 ontvangen 19 september 2017. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn overschreden met, na afronding, 19 maanden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, heeft appellant daarom recht op een vergoeding van € 2.000,- aan immateriële schade.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 3 nietontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het vervangingsbesluit gegrond en vernietigd dat besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade van € 1.052,63 te betalen;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade van € 947,37 te betalen;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellant dient te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.068,-.