Appellante, een veehouderijbedrijf, had haar zoogkoeienhouderij omgeschakeld en uitgebreid naar een melkveebedrijf, waarvoor zij vergunningen en investeringen had gedaan. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van dierenaantallen op 2 juli 2015, waarbij appellante meende dat sprake was van een individuele en buitensporige last omdat de omschakeling noodzakelijk was en investeringen onomkeerbaar.
Het College oordeelt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel haar een individuele en buitensporige last oplegt. De omschakeling ging gepaard met uitbreiding en was een ondernemerskeuze zonder bedrijfseconomische noodzaak. De investeringen waren niet navolgbaar gezien de waarschuwingen over productiebeperkende maatregelen.
Verder stelt het College vast dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep is overschreden met ongeveer 1 jaar en 1 maand. Daarom kent het College appellante een immateriële schadevergoeding toe van €1.500,-, waarvan een deel voor rekening van verweerder en een deel voor de Staat komt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar appellante ontvangt een schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Tevens worden proceskosten toegekend die gelijkelijk door verweerder en de Staat worden gedragen.