Appellante ontving SDE-subsidie voor vier windparkprojecten, die na ingebruikname getoetst moesten worden aan het Europese Milieusteunkader (MSK) vanwege mogelijke overstimulering door cumulatie van subsidies. Verweerder voerde een cumulatietoets uit waarbij hij uitging van werkelijke investeringskosten, maar wijzigde de forfaitaire kapitaalvergoeding naar een lagere rente op vreemd vermogen. Appellante betoogde dat deze wijziging onrechtmatig was en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Het College oordeelde dat verweerder terecht meer dan alleen de werkelijke investeringskosten in de toets betrok en dat het hanteren van werkelijke verhoudingen eigen en vreemd vermogen passend was. Echter, de motivering van de gehanteerde rente op vreemd vermogen was onvoldoende en verweerder had appellante niet adequaat betrokken bij deze koerswijziging, wat in strijd is met de Awb.
Daarom vernietigde het College het bestreden besluit en gaf verweerder acht weken de tijd om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante.