Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2021 in de zaak tussen
[naam maatschap] , te [plaats] , gemeente Borne, appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Overwegingen
Regeling
Feiten
Omvang van het geding
Beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 3 januari 2019
Appellante betoogt in de tweede plaats dat de opgelegde heffingen in strijd zijn met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (1 EP) dan wel dat verweerder in haar geval de hardheidsclausule van artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet had moeten toepassen. Alhoewel de financiële gevolgen van de opgelegde heffingen relatief gering zijn, is het gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden van het geval, die in samenhang moeten worden bezien, niet evenredig dat zij ten volle wordt getroffen door de gevolgen van de Regeling. Zij wordt niet alleen geraakt door de opgelegde heffingen, maar ook door de gedwongen reductie van haar veestapel. Verweerder had haar ontheffing moeten verlenen tot het niveau dat zou zijn bereikt als de ziekte zich niet zou hebben voorgedaan, aldus appellante.
Slotsom
Beslissing
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.