ECLI:NL:CBB:2021:61
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen oordeel over non-concurrentiebeding in managementovereenkomst accountants
Appellant stelde in hoger beroep dat het non-concurrentie- en relatiebeding in de managementovereenkomst tussen betrokken accountants en de vennootschap in strijd is met fundamentele beginselen van integriteit en onafhankelijkheid. Hij voerde aan dat deze bedingen een negatieve invloed kunnen hebben op de professionele oordeelsvorming vanwege financiële afhankelijkheid.
De accountantskamer had eerder klachtonderdeel a (het non-concurrentiebeding) ongegrond verklaard en klachtonderdeel b (misleidende communicatie over bevoegdheid) gegrond verklaard. Het College van Beroep toetste ambtshalve de ontvankelijkheid van de klacht en oordeelde dat het beginsel van ne bis in idem niet aan behandeling in de weg stond omdat eerdere niet-ontvankelijkheid niet op inhoudelijke beoordeling berustte.
Het College concludeerde dat het handelen van betrokkenen onder de tuchtrechtspraak valt en dat het non-concurrentiebeding beroepsmatig handelen betreft. Het College vond echter geen concrete onderbouwing dat de bedingen onrechtmatig zijn of fundamentele beginselen schenden. De algemene stelling van appellant over mogelijke negatieve beïnvloeding was onvoldoende om het hoger beroep toe te wijzen.
Daarom verklaarde het College het hoger beroep ongegrond en bevestigde het oordeel van de accountantskamer dat het non-concurrentiebeding niet in strijd is met de fundamentele beginselen van het accountantsberoep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het non-concurrentiebeding wordt niet als strijdig met fundamentele beroepsbeginselen aangemerkt.