Appellant kreeg bij besluiten van 26 februari 2019 een last onder dwangsom en bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van het Besluit houders van dieren. De maatregelen betroffen het voeren van passend en voldoende voer, toegang tot schoon water en het opstellen en naleven van een bedrijfsgezondheidsplan. Bij hercontrole op 8 april 2019 constateerde de NVWA dat appellant niet voldeed aan deze maatregelen, waarop een dwangsom van €9.000,- werd ingevorderd.
Appellant voerde onder meer aan dat hij niet langer houder was van alle runderen omdat deze op UBN’s van zijn echtgenote en zoon stonden en dat hij wel aan de maatregelen had voldaan. Het College oordeelde echter dat appellant feitelijk wel houder was van de dieren omdat deze op dezelfde locatie in dezelfde stal en weide werden gehouden en appellant de verzorging op zich nam.
Het College stelde vast dat appellant niet voldeed aan maatregel 1 (voerschema afgestemd op kuilvoer) en maatregel 3 (bedrijfsgezondheidsplan met kuilanalyse), maar dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant niet voldeed aan maatregel 2 (toegang tot voldoende en geschikt water). De invordering van de dwangsom voor maatregel 2 werd daarom vernietigd. Tevens werd een vergoeding van €500,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten van €1.068,- aan appellant toegekend.