Appellante exploiteert een melkveebedrijf dat is verplaatst naar een nieuwe locatie en sinds 2014 opnieuw melkvee houdt. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de situatie op 2 juli 2015 en weigerde ontheffing van het fosfaatrechtenstelsel toe te kennen. Appellante voerde aan dat geen sprake is van uitbreiding en dat het besluit leidt tot een individuele en buitensporige last, mede vanwege een gedwongen bedrijfsverplaatsing en financiële problemen.
Het College overweegt dat de investeringen van appellante ondernemersbeslissingen zijn en dat het fosfaatrechtenstelsel niet leidt tot een individuele en buitensporige last. De situatie wordt aangemerkt als een bedrijfsuitbreiding, waarbij appellante niet beschikte over alle benodigde vergunningen op de peildatum. Het belang van milieubescherming en het voldoen aan de Nitraatrichtlijn weegt zwaarder dan het individuele belang van appellante.
Hoewel het beroep ongegrond wordt verklaard, is de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep overschreden. Het College veroordeelt verweerder en de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan appellante en draagt hen op de proceskosten te delen. De uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren op 29 juni 2021.