ECLI:NL:CBB:2021:685

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 juli 2021
Publicatiedatum
30 juni 2021
Zaaknummer
21/58
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat. Kort na ontvangst van het beroepschrift werd een nota voor het griffierecht verzonden, maar betaling bleef uit. Na een herinneringsbrief per aangetekende post die onbestelbaar retour kwam, is nogmaals een herinnering per gewone post verzonden, waarop niet is gereageerd.

Het College constateert dat het griffierecht niet tijdig is betaald en dat er geen aanwijzingen zijn dat appellante niet in verzuim is geweest. Op grond van artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht leidt dit tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

Het College acht voortzetting van het onderzoek niet nodig en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2021.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/58
uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2021 in de zaak tussen

[naam BV] , te [plaats] , appellante,

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder.

Procesverloop

Op 28 december 2020 heeft appellante beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 november 2020 tot ongegrondverklaring van haar bezwaar tegen het besluit van 21 augustus 2020.

Overwegingen

1. Het College doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak.
2. Op grond van artikel 8:41 van Pro de Awb wordt van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht geheven. Het verschuldigde griffierecht moet op de bankrekening van het College zijn bijgeschreven of contant ter griffie zijn gestort binnen vier weken nadat de griffier de indiener heeft meegedeeld welk griffierecht verschuldigd is. Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk is als het griffierecht niet tijdig is betaald. Van niet-ontvankelijkverklaring zal worden afgezien als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3. Aan appellante is kort na de ontvangst van het beroepschrift per gewone post een nota verzonden ter voldoening van het griffierecht. Aangezien betaling uitbleef is op 19 februari 2021 per aangetekende post een herinneringsbrief aan appellante gezonden met de mededeling dat het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van die brief moet zijn betaald. Deze aangetekend verzonden brief is op 10 maart 2021 op de griffie van het College als zijnde onbestelbaar retour ontvangen. De herinneringsbrief is daarop op 2 april 2021 nogmaals per gewone post aan appellante toegezonden met het verzoek het griffierecht alsnog te voldoen. Op deze herinneringsbrief is niet gereageerd.
4. Het College stelt vast dat het griffierecht niet op tijd is betaald. Er is geen aanwijzing dat appellante niet in verzuim is geweest.
5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van
T.S. García Bijvoet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
6 juli 2021.
w.g. D. Brugman w.g. T.S. García Bijvoet
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.