ECLI:NL:CBB:2021:686

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 juli 2021
Publicatiedatum
30 juni 2021
Zaaknummer
21/259
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken beroepsgronden in zaak Meststoffenwet

Appellante, een BV, had beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel die haar beroep ongegrond had verklaard in een zaak betreffende de Meststoffenwet. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het hoger beroep behandeld zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.

De gemachtigde van appellante werd bij aangetekende brief verzocht binnen vier weken beroepsgronden in te dienen, met de waarschuwing dat het uitblijven daarvan tot niet-ontvankelijkverklaring zou leiden. Deze brief werd op 4 maart 2021 bezorgd, maar appellante heeft geen beroepsgronden ingediend.

Het College concludeert dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroep wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/259
uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2021 in de zaak tussen

[naam BV] , te [plaats] , appellante,

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Procesverloop

Op 15 januari 2021 heeft de rechtbank Overijssel het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Op 24 februari 2021 heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen

1. Het College doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat op grond van artikel 8:108 van Pro de Awb in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, zonder zitting uitspraak.
2. In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat een beroepschrift de gronden van beroep bevat. Als niet is voldaan aan dit vereiste kan het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. Bij aangetekende brief van 3 maart 2021 is de gemachtigde van appellante in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van die brief beroepsgronden in te dienen. Appellante is er in deze brief tevens op gewezen dat niet tijdige ontvangst van die gronden tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep kan leiden. Blijkens informatie van PostNL is deze brief op 4 maart 2021 bezorgd. Van appellante zijn binnen de gestelde termijn geen beroepsgronden ontvangen.
5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van
T.S. García Bijvoet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
6 juli 2021.
w.g. D. Brugman w.g. T.S. García Bijvoet
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.